Meditatie

TER GEDACHTENIS AAN DE REFORMATIE

'Zij hadden mij omringd als bijen, zij zijn uitgedoofd als een doornenvuur; in de Naam van de HEERE heb ik ze neergehouwen!' (Psalm 118:12)

 

De reformator Luther heeft deze psalm bijzonder liefgehad. 'Het is mijn psalm. Ik heb hem lief, omdat hij zich heel dikwijls voor mij verdienstelijk gemaakt heeft en mij hielp in talloze grote gevaren, waarbij keizers, koningen, wijzen en verstandigen of heiligen mij niet hadden kunnen redden.' Luthers troetelnaam voor psalm 118 was daarom 'das schöne Confitemini', "het mooie 'wij belijden'".
Voor wie de inhoud van de psalm op zich in laat werken, is het geen wonder dat Luther juist deze psalm zo mooi vond. Het is één doorlopende lofzang op Gods grote daden. De schare die in optocht naar de tempel loopt, raakt niet uitgezongen over Gods trouw en genadige ondersteuning.
Groot was de nood. De vijanden zwermden om Israël heen. Het leek net een zwerm bijen (vers 12). We weten hoe lastig deze insecten kunnen zijn. Wanneer ze eenmaal geïrriteerd zijn, proberen ze met hun angels hun belagers te raken waar ze maar kunnen. Het is niet eenvoudig om je van een bijenzwerm los te maken. Ze zijn immers met zovele! Als een menigte en gewapend ten dode, zo zag de dichter zijn vijanden.
Vijanden te over! Wie de Bijbel erop na zou slaan en al de vijanden van Israël op een rij zou zetten, is voorlopig nog niet klaar: Egyptenaren, Amalekieten, Moabieten, Edomieten, enzovoort. Stuk voor stuk hadden ze het op de ondergang van Gods volk gemunt. Achter al die vijanden zit Satan. Het is hem erom begonnen Gods plannen te dwarsbomen en de komst van Gods koninkrijk te verijdelen.
Heeft de Kerk van Christus ook niet legio vijanden? Satans haat tegen Gods werk is niet minder geworden, en hij vindt daarbij helpers genoeg! En toch, hoe machtig en met hoevelen de vijanden ook zijn, ze delven het onderspit. Als een zwerm bijen komen ze opzetten, maar hun einde is als een doornvuurtje (vers 12). 't Vlamt heel hoog op, maar 't is zo uitgedoofd. Hevig, maar kort. Venijnig, maar uiteindelijk niet gevaarlijk. Is dat geen prachtig beeld van de vijandschap die stukloopt op het werk van God.
Luther heeft dat aan den lijve ondervonden. Toen hij tot zijn reformatorisch inzicht was gekomen, dat een mens niet gerechtvaardigd wordt door zijn eigen verdienste, maar alleen door Gods genade, kon hij dit niet voor zichzelf houden. Al heel gauw (31 oktober 1517) publiceerde hij zijn nieuwe inzichten in de vorm van stellingen, die hij sloeg op de deur van de slotkapel van Wittenberg. Dat was de lont in het kruitvat. Een dergelijke nieuwlichterij was onmogelijk, vonden de roomse kerkleiders. Een bul waarin Luther in de ban gedaan werd, bereikte spoedig Wittenberg. De bul ging echter in vlammen op.
In april 1521 moest Maarten Luther verschijnen voor keizer Karel V op de rijksdag te Worms. Vrienden raadden hem af te gaan. De toezegging van de keizer, dat hem niets zou overkomen, was volstrekt onbetrouwbaar. Luther ging toch. Hij ging in het geloof! Met een onwrikbaar geloofsvertrouwen heeft hij toen gezegd: 'Al waren er in Worms zoveel duivelen als dakpannen op de huizen, toch zal ik gaan!' Toen hij later voor de keizer stond, heeft hij zijn ideeën niet verworpen. 'Hier sta ik, ik kan niet anders.'

 

Luther stond niet voor zijn eigen zaak. Hij stond er ook niet alleen voor. Zijn vijanden waren legio, maar zijn Helper was almachtig. In dit geloof is de Reformator doorgegaan. Zo heeft hij de Bijbel vertaald op de Wartburg bij Eisenach. Zo is hij teruggekeerd - onder dreiging - naar zijn geliefde Wittenberg. Zo heeft hij leiding gegeven - door prediking, geschrift en lied - aan de reformatie der kerk.
Zijn vijanden waren wel talrijk, maar hij wist dat God groter en machtiger was dan wie dan ook. Achter Gods schild was hij veilig. Geen menselijke haat of vijandschap zou hem verpletteren.
Luther heeft dat geloof geput uit het Woord. In het Woord ontmoette hij een genadig God. In Christus waren ook zijn zonden verzoend. In het Woord vond hij kracht en steun om het vol te houden tegen welke vijand dan ook.
Luther is een geloofsheld. Niet omdat hij zelf zo sterk was, maar omdat hij een machtige God had. Met onze psalm, zei hij: 'In de Naam van de HEERE heb ik ze neergehouwen.' Deze God leeft nog, en nog steeds beschermt Hij de Zijnen.
Mogen wij het - in geloof - al meezingen?

 

Een vaste burg is onze God,
een toevlucht voor de Zijnen!
Al drukt het leed, al dreigt het lot,
Hij doet Zijn hulp verschijnen!
De vijand rukt vast aan
met opgestoken vaan;
hij draagt zijn rusting nog
van gruwel en bedrog,
maar zal als kaf verdwijnen!

 

Geen aardse macht begeren wij,
die gaat welras verloren.
Ons staat de sterke Held ter zij,
die God ons heeft verkoren.
Vraagt gij Zijn naam? Zo weet,
dat Hij de Christus heet,
Gods een-geboren Zoon,
Verwinnaar op de troon:
de zeeg' is ons beschoren!

 

ds. A.J. van den Herik