Meditatie

Innerlijke vernieuwing

‘Ik zal Mijn Geest in uw binnenste geven. Ik zal maken dat u in Mijn verordeningen wandelt en dat u Mijn bepalingen in acht neemt en ze houdt.’ (Ezechiël 36:27)

Onze tekst staat in het gedeelte van Ezechiël dat spreekt over de nieuwe toekomst van Gods volk, Israël. De profeet Ezechiël is een boeteprofeet. In het eerste gedeelte (hoofdstuk 1-24) van zijn boek spreekt hij voornamelijk – hoewel niet uitsluitend – over oordeel. God zal Zijn volk, dat het verbond verbreekt, straffen. Zwaar en diep zullen ze vernederd worden. Maar er breekt voor hen ook eens een nieuwe toekomst aan. Deze heilsprofetieën beginnen in hoofdstuk 34 en lopen tot het einde van het boek. Alles wordt nieuw.
Wat een genade! Ondanks de straf op de zonde, is er toch hoop. Het oordeel is geen eindpunt, maar een nieuw begin. Waarom? Omdat God trouw is. Omdat Hij Zijn verbond nooit verbreekt. Omdat Hij niet toelaat dat Zijn Naam te grabbel wordt gegooid. God zal – in Israëls verlossing – Zichzelf verheerlijken als de machtige en trouwe Verbondsgod (Ezechiël 36: 22-24). Zo is God. ‘Schoon zwaar getergd, lankmoedig en genadig. Hij straft ons, maar naar onze zonden niet’!
Het onverdiende herstel van Israël wordt in hoofdstuk 36 breed uitgemeten. Alles wordt weer goed! De ballingschap is geen eindpunt; ze mogen weer terug naar hun eigen land. Maar is dan niet het gevaar groot, dat de geschiedenis zich gaat herhalen? Wat is de garantie dat het volk niet opnieuw tot opstand en rebellie zal vervallen, en dat God opnieuw zal moeten toornen? Nieuwe omstandigheden maken nog geen nieuwe mensen!
We weten dat allemaal uit de praktijk. Je kunt slordige mensen in een nieuw huis zetten, maar het zal niet baten. Binnen de kortste tijd maken ze er weer een puinhoop van. Je kunt een varken schoonpoetsen, zodat er geen vlekje meer te zien is. Zodra je je echter omkeert, zoekt hij opnieuw de modder op. Het veranderen van de buitenkant alleen helpt niet, enkel wijzigen van de omstandigheden evenmin. Het hárt moet veranderd worden! Bij een nieuwe situatie horen nieuwe mensen. Het centrum van ons leven moet vernieuwd worden; dat wil zeggen: het hart, van waaruit de uitingen van het leven zijn (Spreuken 4: 23).
Maar hoe worden mensen nieuw? Niet uit zichzelf! Jeremia stelt de retorische vraag (een vraag waarvan het antwoord volstrekt voor de hand ligt): ‘Kan ook een Cusjiet (Moorman) zijn huid veranderen, of een luipaard zijn vlekken? Zou ook u dan goed kunnen gaan doen, gewend als u bent om kwaad te doen?’ (Jeremia 13:23)
Israël kan zichzelf niet vernieuwen. En wij evenmin.
Daarom is de belofte van onze tekst zo rijk. Wat Israël niet kan, doet God. “Ik zal Mijn Geest in het binnenste van u geven.” Hij geeft het. Als een genadegave. Een geschenk. God doet geen half werk. Hij opent niet slechts het zicht op een nieuwe toekomst, maar maakt ook mensen bekwaam om in die nieuwe toekomst te delen. Hij vernieuwt hun hart. Hij bekeert hen! In plaats van het koude, ongevoelige, onbuigzame stenen hart, komt een hart dat op God gericht is en Hem wil dienen, liefhebben en vrezen. ‘Dan zal Ik u een nieuw hart geven en een nieuwe geest in uw binnenste geven. Ik zal het hart van steen uit uw lichaam wegnemen en u een hart van vlees geven' (Ezechiël 36:26).
Hoe dat te merken is dat iemand een nieuw hart heeft? Onze tekst zegt het: ‘Ik zal maken dat u in Mijn verordeningen wandelt en dat u Mijn bepalingen in acht neemt en ze houdt.’ (vers 27b). Een nieuw hart heeft geen hekel meer aan de Wet van God. Het heeft de geboden en inzettingen juist lief! Want het zijn Góds geboden en inzettingen.
Betekent dit zondeloosheid voor de rest van ons leven? Helaas niet. Paulus klaagt ook na zijn bekering over de zonden die nog in zijn hart huizen. Maar hij zegt ook: ‘Want naar de innerlijke mens verheug ik mij in de wet van God’ (Romeinen 7:22). In zijn hart leeft toch de vreze des Heeren.
De Geest maakt mensen nieuw. Dat is Pinksteren. Is deze vrucht van de Geest er ook al in ons leven? Wanhoop aan uw eigen vernieuwingspogingen en verwacht het biddend van de Heere, pleitend op Zijn belofte. Christus heeft de straf gedragen. Hij vernieuwt door Zijn Geest mensen. Ik zal u geven … Het is een geschenk, dat Hij wil geven aan allen die in hun nood op Hem hopen! En voor wie zo op God hoopt, wordt eens alles nieuw. Niet alleen het hart, maar ook de hemel en de aarde.

A.J. van den Herik